Deel drie van A Circus Carol
'Ohh. Wat een hoofdpijn weer. Alsof er een horde oude
circuspaarden doorheen galoppeert, tegen de klok in. Eens even denken, waar is
mijn fles. Waar heeft het lekkere ding hem deze keer verstopt. Och, het lekkere
ding, zo noemen ze haar allemaal. Ik zie dat niet zo, ik zie alleen maar mijn
dochtertje in haar. Haar ogen, haar onschuldige ogen, precies als die van mijn
mooie dochter. En ook dat moment weerspiegelt in de ogen van het meisje. Die
angst die reflecteerde in de glans van het besef dat de trampoline niet stond
waar ze verwachtte weerspiegelde de angst in de glans van de ogen die naar het
vuur keken. De angst gekleurd door de vlammen die hoog uit de tent sloegen. Het
was snel voorbij. Met die tent. En met mijn kleine meisje. Waar is die fles
toch? Ik ben toe aan een slok....
En dan moet ik ook nog een kerstverhaal vertellen. Een
positief kerstverhaal notabene. Uch. Hoe zei die oude Scrooge dat ook alweer
steeds? Humbug. Ja Humbug. Geen idee wat het precies betekent maar de klank
zegt genoeg. 'Humbug.' Hah, als ik het hardop zeg klinkt het nog meer zoals ik
het bedoel. Schor en negatief. Een positieve kerst? Nee, het enige positieve
gevoel met de kerst vind ik op de bodem van mijn fles jenever. Duisternis waar
geen kerstverlichting verlichting kan brengen....
Och wat mis ik mijn kleine meisje. Mijn kleine acrobaatje.
Zo graag wilde ze ook in het circus werken. En ze was zo getalenteerd. Als die
kluns die trampoline gewoon goed neer had gezet..... Nee! Niet aan denken. Weg
stoppen die pijn.... Die kluns dat was ik natuurlijk. En haar blik zal ik nooit
meer vergeten. Die blik toen ze besefte dat ze ging vallen. Een blik van angst.
Maar ook van verbazing, medelijden en =onvoorwaardelijke liefde=. Die blik. Die
blik die ik nooit meer zal vergeten. Die ik probeer weg te drinken. Maar die
altijd blijft. Als alle bewustzijn verdwenen is in de alcohol zie ik alleen nog
maar die blik. Och mijn lieve meisje....
Bloeddoorlopen ogen kijken me aan in de spiegel. Pafferig
gezicht met witte vlekken. Hah, de ware clown die ik ben in dit leven komt door
mijn huid heen sijpelen. Er is geen kans meer het te maskeren. Wat doe ik hier
nog in dit leven? Wat heeft het nog voor zin? En dan nu ook nog die rottige
pandemie. Alle kroegen dicht. Geen drinkebroeders meer die me helpen mijn pijn
te verzachten. Alleen. Hier in deze duisternis. Gelukkig was er hier nog plek.
Gelukkig is de Grande Dame gewoon zichzelf gebleven. En het meisje is hier ook!
Een sprankje blijdschap scheen door mijn innerlijke duisternis toen ik haar
zag. En ze leek ook blij om me te zien. Och dat arme meisje ook. Maar waar
heeft ze die fles verstopt?'
'Wat zoek je? Ben je op zoek naar de jenever? Die heb ik in
het kastje gezet. Zal ik je een glaasje inschenken? Vindt je het niet te vroeg?
Of ben je al zo verdrietig weer? Wacht maar, ik schenk je wel in en hou je even
gezelschap. Mis je je meisje zo erg? Zullen we haar vanavond bezoeken als het
een beetje mooi weer is? Zullen we kerst vieren op haar graf? Alleen maar jij
en ik? Ik zou niets liever doen dan kerstavond vieren met jou. Dat weet je he?
We zouden een kaarsje mee kunnen nemen. Of een vuurtje stoken. Alleen jij en ik
en je meisje. En een fles. Lijkt je dat niet fijn? Kerst vieren met je twee
meisjes? Want ik ben toch ook een beetje je meisje? Och ik weet dat ik nooit
haar plaats kan innemen. Maar ik heb nooit een vader gehad. Nooit mijn vader
gekend. Altijd maar alleen. Ik heb me altijd alleen gevoeld, mijn hele leven
al. Totdat jij die deken om me heen sloeg. Op die angstige avond toen het
circus afbrandde. Mijn enige thuis. Op die avond was jij de enige die zich
bekommerde om me. En dat zal ik nooit vergeten. En daarom bekommer ik me nu om
jou. Zal ik me altijd bekommeren om jou. jij, de enige die mij beschermde. en
beschermt, daar ben ik zeker van. Dus wat zeg je ervan? Zullen we gaan
vanavond?
Afgesproken dan. Na het eten gaan we samen naar de
begraafplaats. Jij en ik.'
Het vuurtje knetterde gezellig. De vonken dwarrelden door
elkaar omhoog als om elkaar draaiende en dansende engeltjes. Vuurvliegjes. Twee
mensen zaten dicht tegen elkaar bij een graf. Voor het graf hadden ze een klein
kampvuurtje opgebouwd, van houtjes bij elkaar gesprokkeld in het nabijgelegen
bos. Het was een mooie begraafplaats. Hier en daar een pijnboom en vol met
struikgewas. Het was een slecht onderhouden maar mooie begraafplaats. Het mooie
meisje pakte de fles, die voor ze stond op de betonnen rand van het graf, en
schonk twee glaasjes vol. Teder. Met kalme, nauwgezette bewegingen. Ze gaf een
van de glaasjes aan de man, die het met een trillende hand aannam en snel aan
zijn mond zette voor een teugje. Het meisje nam een voorzichtig slokje uit het
andere glaasje.
'Zo, dat is toch fijn, hier zo bij je meisje?' Het mooie
meisje glimlachte, maar het was een met pijn vervulde glimlach. Niet wrang,
maar je kon de pijn er doorheen zien. Ze staarde in het vuur.
De oude man zei niets, nam nog een slokje en keek ook in het
vuur. De witte vlekken in zijn gelaat lichtten warm oranje op in het weerschijn
van het vuur. Hij glimlachte ook. Anders dan het meisje was zijn glimlach wel
wrang. Het was meer een grimas dan een lach. Maar de rimpeltjes naast zijn ogen
verrieden toch een schaduw van een echte lach.
'Ach meisje, je bedoelt het allemaal goed, maar ik verdien
helemaal niets fijns. Ik verdien alleen maar ellende. Het was mijn schuld! Het
was mijn schuld! Zonder mij had mijn lieve dochtertje nog geleefd...'
Tranen liepen als kleine stroompjes langs de geel
oplichtende witte vlekken van zijn verrimpelde gezicht. Als bergbeekjes, hun
weg zoekend door het ruige berglandschap, nog maar net ontsproten aan de
gletsjer. De gletsjers van zijn natte ogen.
'Maar dat is toch onzin.' Zei het meisje teder. 'Zonder jou
had je kleine meisje helemaal niet bestaan. Ik weet zeker dat als we het haar
konden vragen ze dat beaamt had.' Ze keek naar de zijkant van zijn gezicht
terwijl hij met natte ogen in de vlammen staarde. Haar mooie gezicht werd zo
door het vuur van de zijkant belicht en deed het op een beeltenis op een
schilderij van Rembrandt lijken.
Zo bleven ze even stil zitten, hij starend in het vuur, zij
starend naar zijn gezicht. Ook in haar ogen verschenen de tranen. 'Wat zou je
dan willen, als je het hier zo slecht hebt?' vroeg ze zachtjes.
'Ik zou hier willen blijven zitten, zo samen met jou, en dan
met dit warme gevoel van het vuur, jouw liefde en de herinnering aan mijn
meisje, lekker in slaap vallen.... ' Hij aarzelde heel even... 'En dan nooit
meer wakker worden.' Een traan viel voor hem op de grond. Hij nam nog een
slokje en bleef staren in het vuur.
'Mag ik dan zo lekker bij je blijven zitten en in je armen
ook lekker in slaap vallen?' Haar zachte stem brak, heel zachtjes, als een jong
twijgje in de wind. Nu draaide hij zijn gezicht naar haar en veranderde zo ook
in een model van Rembrandt.
'Och meisje toch, je hebt nog een heel leven voor je.' Nu
begon het meisje hardop te huilen.
'Maar het leven is zo eenzaam. En zo hard. En zonder jou...'
Ze stokte even... 'Zonder jou is er voor mij niemand op deze wereld die zich om
me bekommert.' Nu keek het meisje in de vlammen. Het begon te sneeuwen. En
omdat er geen wind was dwarrelde de vlokjes vredig naar beneden.
'Het lijkt wel of de hele wereld in miljoenen kleine stukjes
is verscheurd. De mensheid bedoel ik. Iedereen heeft een mening en al die
meningen lijken net iets van elkaar te verschillen. En er is zoveel haat.
Zoveel onaardigheid. Zo veel verdriet. Nee, laat mij hier ook maar lekker
vredig in slaap vallen.' Ze kroop nog iets dichter tegen de oude man aan en
vlijde haar hoofd op zijn schouder. Samen keken ze naar het vuur.
'Als je nog een wens zou doen kunnen uitkomen voordat we
gaan slapen, wat zou dat dan zijn?' Vroeg het meisje met zachte maar vaste stem
nu. 'Behalve je kleine meisje terug brengen, want dan zouden we niet naar haar
toe kunnen straks.’
De oude man dacht even na en nam nog een slokje. Hij draaide
zich naar haar toe om haar aan te kijken, waardoor ze haar hoofd even op moest
tillen en naar hem toe draaien. Hij glimlachte warm naar haar. In die glimlach
zat zo veel liefde verscholen dat het haar wangen deed gloeien.
'Dan zou ik willen, dat op deze mooie kerstavond, alle
mensen die verscheurd worden van verdriet. Van verlies. Al die mensen die net
als ik een kind verloren hebben, of iemand anders, en zich daar door net zo
eenzaam en alleen op de wereld voelen als ik. Dat die vanavond iemand bij zich
hebben als jij. Iemand als jou, waaraan ze zich kunnen warmen en die ze op hun
beurt ook weer kunnen troosten. Dat zou ik wensen.' Hij knikte, kuste haar
teder op haar voorhoofd en keek weer in het vuur, dat langzaam kleiner begon te
worden. Het meisje keek nog even naar hem en toen ook weer in het vuur. 'Dat
vind ik een mooie wens. En dan wens ik, dat alle eenzame mensen op de wereld
iemand hebben zoals jou, om zich tegen aan te vlijen en zich aan te warmen,
samen bij een vuurtje.' Ze pookte met een stokje in het vuur en kroop nog eens
dichter tegen hem aan. Samen staarden ze in het vuur. De rand van het graf werd
wit van de sneeuw.
'Zullen we eerst zo nog even bij het vuur blijven zitten
totdat het uit gaat, en dan lekker samen gaan slapen?
Ze bleven allebei in het vuur kijken. 'Ja dat doen we.' Zei
de oude man teder, en hij nam het laatste slokje uit zijn glas en zette het,
bijna plechtig, op de rand van het graf in de sneeuw.
Nu zult u, beste lezer, wel denken hoezo is dit een positief
kerstverhaal? En daar heeft u natuurlijk helemaal gelijk in. Maar ziet u, ik
als alwetend verteller, steeg na het aanschouwen van dit aandoenlijk tafereel
op, ver boven de begraafplaats, steeds naar beneden kijkend naar die twee
eenzame zielen die elkaar gevonden hadden in hun eind, in hun eenzaamheid en
verdriet, mooi verlicht door het vuur. En terwijl ik, ontroerd - geef ik toe -,
steeds hoger steeg, zag ik overal in het land kleine vuurtjes. Overal in dit
door de pandemie en tweedeling verscheurde land zag ik kleine vuurtjes, met bij
die vuurtjes zittende gestaltes. Donker afstekende figuurtjes, met zijn tweeën
of met zijn drieën of zelfs een enkele keer met een groepje. Overal zag ik
mensen zitten om een kampvuurtje, elkaar troostend, warmend en vasthoudend. En
toen wist ik dat de oude clown zijn wens vervuld was. Deze kerstavond, waarop
de bacchanalen van weleer van overheidswege verboden niet doorgingen, waren de
mensen naar buiten getrokken om verbinding te zoeken. En hadden ze dat
gevonden. Verbinding in verdriet, eenzaamheid en angst. Ze hadden elkaar
gevonden. En ze troostten en verwarmden elkaar.*
Nu vraag ik u, allerliefste lezer: 'Is dat niet wat kerst
zou moeten zijn?'
Reacties
Een reactie posten