Deel 9, de ex van de Grande Dame. Een spel met geluk
De Ex van de Grande Dame
We komen langzaam richting het einde van de mooie reeks
prachtige verhalen uit a Circus Carol. Dit karakter, de ex-minnaar van de Grote Dame,
bleef lang liggen zodat Larisse en ik besloten het zelf te schrijven. Een hartstikke
leuke samenwerking; raden jullie maar wie wat heeft geschreven. Morgen, lieve
lezers wacht jullie nóg een schitterend verhaal, vrijdagavond sluiten we af. Wat
gaat er nog gebeuren op de boerderij van de Grote Dame?
Door Larisse en Felix
Een spel met geluk
Ik werp een laatste blik in de spiegel. Op mijn kleding is
niets aan te merken. Mijn olijfgroene tweed vest met bijpassende klassieke
tweed blazer en knickerbocker. Ik zie er uit om door een ringetje te halen. Kerstig
zelfs. Maar mijn ooit gitzwarte golvende haar kleurt grijzer met de dag. En
mijn buik, die buik, ik kan er niet meer omheen. Mijn zwakke plek. Het verraadt
mijn passie voor het goede leven. Wat ziet ze toch in mij? Mijn Muisje, de
grote liefde van mijn leven. Hoe zou het voelen als ze haar frêle lijfje tegen
mijn imposante buik vlijt? Nimmer zegt ze iets ten nadele van mijn omvang en
toch, het maakt mij onzeker. Die buik zit mij in de weg. Maar ik kan het niet
helpen, ik ben verzot op heerlijk eten. Zelf kook ik overigens niet
onverdienstelijk. Aan de Grande Dame, mijn minnares uit een vorig leven, was
het niet zo besteed. Haar zoon daarentegen kookt de sterren van de hemel. Haar
genen zijn het beslist niet. De mijne wellicht? Een eeuwig onbeantwoorde vraag.
Ach, het deert mij niet, ik heb hem lief zoals ik de Grande Dame lief heb.
Gelukkig is mijn hart van minstens zo’n indrukwekkende omvang als mijn lever.
Ik heb lief. Maar hartstochtelijk liefhebben, passioneel beminnen, dat kan ik
pas sinds Mooi Muisje. En ik zou niet meer zonder kunnen.
De Grande Dame duldt mijn aanwezigheid en ik verkeer nog
graag in het hare. Het leven is een circus, we hebben ieder onze act. Samen
zijn we een schouwspel. Er was liefde maar weinig respect tussen ons. Of nu ja,
dat weet ik nu ik heb mogen ervaren hoe onvoorwaardelijke liefde voelt. De
Grande Dame kon tekeer gaan als een brullende leeuw. Ik voelde mij getemd en de
vrijheid lonkte. Zij deelde haar bed liever met een leeuw en ik met een Muisje.
Tsja, dat werkt niet. Uiteindelijk bleek de Grande Dame toch wat meer van de
dames te zijn en ach, dat kan ik haar niet kwalijk nemen. Begrijpen doe ik het
zeker. Zelf heb ik wat afgejaagd in mijn leven. Een reetje hier, een reetje
daar. Ik geef het rijkelijk toe: ik ben een billenman. Niets voelt heerlijker
dan een mooie ronde stevige sterke derrière in mijn handen. Mooi Muisje heeft,
hoe kan het ook anders, de verleidelijkste billenpartij die ik ooit mocht
betasten. Toen zij, nadat ik haar jaren had bejaagd, rijp was voor mijn liefde,
pronkte zij met haar billen en ik was voorgoed verloren. De roes van de drank
maakte plaats voor de bedwelming van de liefde. Ik verkeer tot op de dag van
vandaag in extase. Zij is mijn uitverkorene, mijn trofee, ik haar prooi. Haar
blijf ik trouw tot in de eeuwige jachtvelden en dan nog een stukje verder.
Wat ik doe? Ja, dat is misschien een beetje vreemd, ik doe
helemaal niets. En daar wil ik graag over vertellen. Onze Grote Dame kent het
verhaal wel. Ze tolereerde me zo’n beetje in het circus. Eigenlijk deugde ik
helemaal nergens voor, maar omdat ik me kan kleden, maak ik altijd de indruk de
baas te zijn. Haha, ik zie me nog in het midden van de piste: “Mesdames et
Messieurs, bienvenue au Cirque de la Joie” Na een paar weken al hield ik er mee
op, de spottende blik van de machtige dompteuse werd me teveel.” Even kijkt de
Ex Minnaar op naar de Grote Dame maar wacht haar haast smalende opgetrokken
mondhoek niet af. Zijn toon iets haastiger, zijn hand zoekt steun bij zijn
Muisje dat objectief gezien echt niet de schitterende vrouw is die hij net
heeft bezongen. Maar ze beantwoordt zijn wankeling door zich schrap te zetten
en zijn gewicht te dragen en te verdragen. Ze kijkt zelfs even op, in haar ogen
een blik alsof ze blij is, ze betekent wat voor hem, eindelijk. “Ik liep weg,
weg om mijn hoofd leeg te krijgen. In de verte was een lange dijk, zoals je
vaak loze dijken aan de rand van een stad hebt. Circussen staan altijd op van
de vreemde plaatsen. De dijk ging van niets naar niets. Ooit zou het misschien
een spoor moeten worden. Nu lag het log en dood en zwaar te zijn. Ik liep
omhoog, tegen de dijk op, dan bovenop zag ik een vuurtje in de verte. Langzaam,
met mijn handen in mijn zakken, mijn hoge hoed nog op, mijn rode paradejas nog
aan, kwam ik dichterbij en zag een paar mensen bij elkaar zitten, om het vuur.
Twee mannen en een vrouw. Ze waren aan het dobbelen. Het was heel vreemd.
Lakens, gordijnen, allemaal prachtig goed, zo mooi als in mijn wagen. Ze
wenkten. Ze drongen aan. De mannen waren afzichtelijke lelijk en brutaal, de
vrouw kakelde als een kip maar zag er uit als een gier. Akelig. Ze gaven me een
ijzeren kroes met een bruine drab er in, wat ze tapten uit een pot die half in
het vuur stond. Eerlijk? Ik voelde me zo nutteloos en verlaten dat ik
aanschoof. Lelijk, en naar, het kon me niet smeer schelen. Drie dobbelstenen in
mijn hand. “Gooi maar.” Ik deed het, de drie schaterden het uit. Driemaal vijf.
“Verbeurd, je mooie gezichtje, verbeurd.” Met dat ze het zei, voelde ik het, de
huid in mijn gezicht craqueleerde, mijn neus groeide, mijn wangen zakten en
hingen als vellen in mijn gezicht. Ik huiverde, ik werd koud tot op het bot.
Waar was ik terecht gekomen? De man naast me lachte luid, ik keek en wist. Hij
was jong en mooi geworden. Mijn art draaide in me, ik wilde gillen maar uit
mijn keel kwam niets dan een dor gekras. “Gooi, gooi opnieuw, gauw gooi.” Ik
gooide. In het zand naast het vuur vielen de dobbelstenen, op 4, allemaal op 4.
“Ha,” krijste het wezen naast me, “Weg, het is weg, ik, ik, ik heb het,” en ze
sprong op en danste als een bezetene rond het vuur.
Natuurlijk wist ik meteen wat er was gebeurd, maar leven lag
zwaar op me, mijn schouders voelden als lood, ik voelde als lood, mijn benen
staken, mijn hart gaf bij iedere slag een steek door mijn lijf, mijn buik zakte
uit, mijn jeugd was me afgenomen, ik was oud en versleten en niets, niets meer
dan wachten op het einde.
Nu pas realiseerde ik me wat een zielig figuur ik eigenlijk
was geworden. Nu pas zag ik dat ik niets anders had gedaan dan wachten op
geluk, wachten tot ik geluk zou krijgen, maar dat ik er zelfs niets, maar dan
ook niets aan had gedaan. Dit was de afrekening, wat kon ik nog meer verliezen?
“Gooi, gooi,” riep ze naast me. “Gooi, gooi, wat dan? Wat willen jullie me nog
meer afnemen?” Haar stem gilde omhoog, haar geluid nog vreselijker dan eerder,
“Je geluk, gooi om je geluk!”
Gooi om mijn geluk? Had ik dan geluk om te verliezen? Om
tijd te winnen nam ik een slok van het brouwsel dat al die tijd voor me stond.
Dat was kennelijk niet de bedoeling geweest, zo goor, wie drinkt dat? Ik zag ze
schrikken. Dat was een klein beetje genoegdoening. Mijn lichaam schreeuwde van
de pijn en mijn hart stak, mijn droge lippen kregen het afschuwelijk ruikende
vocht nauwelijks binnen. Een druppel, eigenlijk. En een knal, ik werd omver
gegooid, het zand in. Verdwaasd keek ik om me heen. Het was dag, helemaal geen
nacht. Ik zag het circus, dat mooie kleine gekke circus, ik zag die prachtige
verschijning van de Grote Dame, de leeuwin tussen de leeuwen, aan het werk in
de ring buiten. Hij was al warm, in een heerlijke zon. Naast de ingang naar de
hoofdtent stond een schattig vrouwtje, misschien wat minder uitbundig van de
Grote Dame, maar zacht dat zag ik zo. Leuk maar kon ik ooit nog iemand onder
ogen komen met mijn oude versleten lijf en verwoeste gelaat. Ik voelde mijn
tranen druppelen voor ik wist dat ik huilde. En dan een schrik die nog erger
was dan alles van de afgelopen nacht. Drie dobbelstenen, voor me in het zand.
Oh nee, de nachtmerrie was niet voorbij, er werd nog steeds met me gespeeld.
Maar kennelijk had ik nu de overhand, of tenminste gelijke kansen. Ik nam de
stenen op. Zwaarder heb ik nooit iets gedragen. “Alles of niets!” riep ik
brutaal, want echt ik had niets te verliezen, ik zet mijn geluk in, alles of
niets, komt op krengen, probeer dit maar en in gooide met alle kracht die in me
was de dobbelstenen op de plaats waar het vuur was geweest. Ze draaiden en
draaiden en draaiden een eeuwigheid en vielen, een voor een, zes, zes, zes.
Meteen hingen ze weer in de lucht en werden neergegooid, 6, 3,1. Alweer omhoog,
6, 5,1 en alweer omhoog, 6, 6, de derde steen tolde, ademen deed ik al lang
niet meer. 5.
Opnieuw werd ik opgegooid. Alweer veranderde alles, maar nu
in de goede zin. Mijn huid, mijn zinnen, mijn lijf maar vitaliteit waren terug
en ik had gewonnen, dus mijn geluk ook. Of was dat mijn geluk? Naast me zaten
die mensen, een vrouw en twee mannen. Vriendelijke lui. Gezellige oudjes. “Nog
een koffie?” vroeg de vrouw. Ik bedankte, stond op en liep terug naar het
Circus. Ik kende mijn geluk nu. En dat vrouwtje? Dat vrouwtje wat zal ik
zeggen, is zij mijn geluk? Zij en ik, als we oud en jong, dik, dun, oerlelijk
of bloedmooi, paraderood, olijfgroen en alle tinten grijs, buiken of billen,
iedere wankeling en elke balans weg zouden denken, zijn wij samen één.”
Reacties
Een reactie posten