Deel 2: De Grote Dame, Raya Lichansky
De Grote Dame en haar verhaal
Raya
Zachtjes sluit de Grote Dame de deur van de woonkamer achter zich en loopt rustig met bijna onhoorbare tred door de lange donkere gang naar haar slaapkamer. Zoals elke avond fronst ze haar voorhoofd bij het knarsen van de sleutel in het slot op de voormalige staldeur en het oorverscheurende piepen van de deurscharnieren, maar eenmaal binnen is het doodstil.
Bij het flauwe licht van de staande schemerlamp in de hoek ziet ze met een licht gevoel van
opluchting dat alles in de enorme ruimte nog precies zo is als ze het eerder
die avond heeft achtergelaten. Kijk maar even mee: onder het hoge stalraam een
secretaire vol vakjes en laadjes, een grote antieke
houten kledingkast met in de deur een sleutel met een verschoten groen kwastje,
een dieprode fluwelen chaise longue, op de ovalen, met een wit kanten kleed
bedekte Biedermeier tafel een droogboeket dat betere tijden heeft gekend, een
hoge, tot het laatste plekje gevulde boekenkast, een XL size houten
ledikant vol zachte kussens en een bol opgeschud donzen dekbed, en overal
kleine tafeltjes en kastjes met foto’s en prullaria. De Grote Dame loopt naar
de open haard waar nog een laatste restje vuur in te zien
is, maar net als ze er een nieuw
houtblok in wil leggen hoort ze uit de richting van het bed een zacht gegrom.
‘Ik kom eraan’, zegt ze zachtjes, zonder zich om te draaien. ‘Eerst
moeten we het weer warm krijgen’. Verlicht door het schijnsel van van het opvlammende vuurtje loopt de Grote Dame over de met een
versleten Perzisch tapijt bedekte vloer de Grote Dame naar haar bed. De Grote Dame gaat op de rand van het bed zitten en wacht. Opnieuw een
zachte grom, gevolgd door een geeuw, en dan… kruipt tussen de kussens uit een
leeuw.
Nee, niet zo’n indrukwekkend groot en prachtig dier als je ze in de
dierentuin ziet, met weelderige manen en een
krachtige brul - de leeuw van de Grote Dame is oud, heel oud. Van zijn manen
zijn nog slechts een paar plukjes over, zijn hele vacht is van zandgeel
verkleurd naar vuilgrijs, en van zijn ooit zo dodelijke hoektanden is er niet
een meer over. “ Dag Johannes”, zegt de Grote Dame terwijl ze haar rechterhand naar hem uitstrekte,
nog steeds zonder zich om te draaien. De leeuw komt met
trage stramme stappen naar de hand en geeft die met zijn lange roze tong een
natte lebber. “Zo, ouwetje, ik heb het hele spulletje in de woonkamer een
opdracht gegeven. Ze moeten wel iets te doen hebben om deze gedeelde eenzame
opsluiting door te komen tot de Kerst zonder door te draaien.” Johannes gromt
instemmend en vleit zich in zijn nog altijd respectabele lengte langs de rug
van de Grote Dame en begint te spinnen. Ze draait zich voorzichtig om en gaat
tegen de oude leeuw aan liggen, met haar hand op
het dier - ‘handoplegging’ noemt ze dat altijd. En met het zachte trillen en
knorren van het lijf van de leeuw voelt ze zich in slaap glijden, op weg naar
waar herinneringen tot dromen worden.
De droom van Roswitha de Dappere
“Roos, je moet wel mijn hand blijven vasthouden”, zegt een mannenstem.
“Ja papi, ik laat jou niet los! Ik vind het hier eng!” Het meisje - ze is een
jaar op 8 - en haar vader lopen gehaast over een lange rechte weg waarvan het
meisje het begin en het einde niet kan zien.
In de verte ziet ze boerderijen, sommige staat in brand en dikke rookwolken
drijven over het vlakke land. De lucht is dreigend donkergrijs, en in de verte
klinken harde knallen en geweervuur dat dichterbij lijkt te komen, “Kom, nog een klein stukje verder, dan hebben we een plekje waar we veilig zijn!” De
vader pakt het meisje met beide handen op en begint te rennen. “Niet om je heen
kijken, houd je oogjes maar stijf dicht” zegt hij, terwijl hij plotseling van
de weg af gaat, waar een onverhard paadje naar
een met riet gedekt boerenschuurtje leidt. “Nog heel even, we zijn er bijna. En
je mag pas praten als we binnen zijn en ik het zeg!” Het meisje knikt, met haar
hoofdje tegen de schouder van haar vader. De man duwt de ruwhouten deur open, stapt snel naar binnen en sluit die met een trap van zijn
linkerbeen. Het is er donker en koud, maar het glas zit nog in de ramen en er
zijn stoelen en een tafel en in de hoek van het schuurtje ligt een paar uit
elkaar getrapte strobalen. De vader zet zijn kind op de grond
en zegt: “Lief Roosje, van nu af ben je Roswitha, Roswitha de Dappere! En als
je daar aan denkt, ben je nooit meer bang!” De vader zet het weinige eten en
drinken dat in zijn rugzak zit op de tafel. Ze eten in stilte, terwijl het geluid van de oorlog onafgebroken doorgaat. Daarna maakt de vader een bedje
van het stro. “Hier kun je slapen, lieve grote dappere Roswitha, met je hoofdje
op mijn rugzak. En daar moet je goed op passen, daar zit iets heel belangrijks
in.” Hij dekt het kind toe met stro en geeft
haar een kus op haar voorhoofd.
Dat is altijd het moment waarop de Grote Dame wakker wordt. Ze ruikt de geur van het stro alsof ze erop ligt, wrijft over haar voorhoofd
waar ze de warme ruwe lippen van haar vader voelt, en luistert naar de stilte
in haar slaapkamer. Zelfs Johannes maakt geen geluid meer. Ze blijft roerloos
liggen, wetend dat deze droom, die zo al zo vaak
heeft gedroomd, nog niet klaar is. Ze houdt haar ogen stijf dicht, alsof ze
weer dat kleine meisje Roos is - als je het niet ziet is het er ook niet. Maar
in een droom werkt dat niet, daar is de herinnering meedogenloos en
onontkoombaar. De Grote Dame laat zich terugglijden in de droom.
Weg zijn de rust en stilte, en het waait. Het meisje, opeens klaarwakker, luistert naar de geluiden, maar om haar vader roepen durft ze niet.
Waar is hij? Waarom staat de deur open? Buiten hoort ze harde stemmen, ze
schreeuwen tegen elkaar. Het meisje duikt diep onder het stro en klemt de
rugzak vast, in de hoop dat niemand haar kan zien. Heel
voorzichtig voelt ze met haar handjes in
de rugzak. Verstopt in wat aanvoelt als een paar sokken ontdekt ze iets zwaars
en hards. Dat had haar vader wel eens laten zien, toen ze nog gewoon veilig
thuis waren met mami en haar broer en zusje. "Dit is
een pistool", had hij uitgelegd. "Het is een heel gevaarlijk wapen,
maar het kan je ook het leven redden" en hij had met een welgemikt schot
een emmer achter in de tuin geraakt.
Opeens staat er iemand in het kamertje. Door de kleine kiertjes in het
stro ziet ze een man staan, wijdbeens en met woeste roodbruine haren en een
grote baard. "Zo, die dacht dat hij hier aan ons kon
ontsnappen, maar dat is mooi mislukt! Die kan het niet meer navertellen."
En door de open deur schreeuwt hij naar buiten: "Gaan jullie maar vast
verderop, ik kijk nog even rond hier". Met ingehouden adem frummelt het
meisje het pistool uit de sok en grijpt het vast zoals ze het haar vader had zien doen. De
man, die met zijn rug naar het stro had gestaan, draait zich plotseling om en
...
In haar hoofd hoort Roos de stem van haar vader: die zegt Lief Roosje, van nu af ben je
Roswitha, Roswitha de Dappere. Met een razendsnelle beweging springt ze uit het
stro, en schiet. Door de terugslag van het wapen valt ze achterover, en
ziet zakt de man in elkaar zakken. Ze aarzelt even, loopt naar hem toe en vangt
de laatste blik in zijn ogen op, verbaasd, vol ongeloof, tot hij niet meer
beweegt.
De gebeurtenissen na het schot zijn voor altijd verdwenen in een
diepzwart gat, ook al heeft de Grote Dame zichzelf in haar droom al ontelbare
keren het leven gered.
Jaren later - de wereld was tot rust gekomen - kwam er in een rondreizend circus een plek
vrij voor iemand die met leeuwen in de piste durfde op te treden. Zo werd de
kleine Roos als Roswitha de Dappere wereldberoemd door haar omgang met
leeuwen - altijd met woorden, blikken en gebaren, en nooit met geweld. Ooit had
ze, klein maar dapper, om zelf niet te sterven één keer moeten doden. Het zou haar grote levensopdracht worden: anderen
nooit meer angst aan te jagen. Johannes is de laatste van haar circusleeuwen.
Ze vernoemde hem naar haar vader zonder wie ze nooit had kunnen worden wie ze
is. Zelf bijna een leeuw, want dat is immers iemand die bang is voor
niemand?
Reacties
Een reactie posten